Er zijn grofweg twee manieren om door Duitsland te reizen. De eerste manier kennen we allemaal. Je steekt de Duitse grens over, je duikt de Autobahn op en je verandert vervolgens in een soort gefrustreerde amateurcoureur. Drie rijstroken vol leaseauto’s die met 190 kilometer per uur richting hun eigen burn-out rijden, vrachtwagens die elkaar voortdurend inhalen, wegwerkzaamheden die al 10 jaar aan de gang zijn en parkeerplaatsen waar de geur van oude curryworst zich al decennialang hardnekkig heeft vastgezet in het beton. Veel mensen vertrekken ’s morgens in Nederland en zeggen ’s avonds: “We zijn al helemaal door Duitsland gereden.” Maar wat ze eigenlijk bedoelen is: “We hebben asfalt gezien. Heel veel asfalt.”
Wij reizen anders. Wij verlaten de snelweg zodra het kan, alsof we voortvluchtigen zijn die koste wat kost de Autobahnpolitie willen vermijden. Vandaag reden we grotendeels over de Bundesstraße 214, een weg die niet bedoeld lijkt voor haastige mensen, maar voor mensen die nog willen zien waar ze rijden. En eerlijk: dat maakt zo’n reisdag honderd keer leuker. Geen eindeloze geluidsschermen of industrieterreinen, maar slingerwegen door bossen, kleine Duitse dorpjes met vakwerkhuizen, oude kerktorens, bloeiende bermen en weilanden waar koeien rustig staan te grazen.
Het fijne aan reizen met caravan is dat je onderweg eigenlijk je complete woonkamer meesleept. Terwijl andere mensen zich rond lunchtijd in een overvolle Raststätte wurmen voor een lauwe schnitzel en koffie die smaakt alsof iemand per ongeluk een sigaret heeft uitgewrongen in een kartonnen beker, parkeren wij gewoon ergens rustig langs de route. Maar eerst: boodschappen. Dat is inmiddels een vast ritueel geworden. Niet snel iets halen bij een tankstation, nee, uitgebreid boodschappen doen in een plaatselijke supermarkt. En Duitse supermarkten zijn een ervaring op zich. Enorme gangen vol broodjes waarvan je niet precies weet wat erin zit, maar waarvan je automatisch overtuigd bent dat het goed moet zijn omdat er “Bauern-” of “Landhaus-” voor staat. Dus liepen we met een winkelwagen door de supermarkt alsof we een weekvoorraad voor een expeditie naar Groenland moesten inslaan. Broodjes, vlees, sinaasappelsap, yoghurt, groenten, fruit — alles ging mee. Daarna zochten we een rustige plek op, zetten de caravan open en hielden uitgebreid lunch alsof we ergens op een camping aan een Italiaans meer stonden in plaats van op een parkeerplaats langs een Duitse provinciale weg. Dat is misschien wel het mooiste van langzaam reizen: de reis zelf wordt onderdeel van de vakantie. Je bent niet bezig met “zo snel mogelijk aankomen”. Je bent onderweg.
De honden hadden ondertussen hun eigen strategie ontwikkeld. Onze beagles blijken uitstekende langeafstandreizigers te zijn, zolang je je maar aan één belangrijke regel houdt: ieder uur even stoppen. Dan mogen ze snuffelen, plassen, drie minuten doen alsof ze totaal uitgehongerd zijn en daarna kruipen ze weer terug op de achterbank van de auto om onmiddellijk in coma te raken. Het contrast blijft komisch. Dagenlang waren ze thuis volledig hysterisch zodra ze de caravan zagen. Huilen bij de voordeur. Onrustig rondlopen. Kratjes vakantiespullen inspecteren alsof ze wilden controleren of we ze niet stiekem thuis zouden laten. En nu we daadwerkelijk onderweg zijn? Slapen. Urenlang. Af en toe gaat er één oog open als we stoppen, kijken ze ons aan met een blik van: “Zijn we er al?” en zodra blijkt dat het antwoord nee is, vallen ze teleurgesteld weer in slaap.
Aan het einde van de middag kwamen we aan op Camping Allerstrand in Wienhausen, na ongeveer 250 kilometer rijden. Geen grote toeristische megacamping met zwembaden, animatieteams en disco-avonden waarbij iemand met een microfoon om half elf nog probeert enthousiasme af te dwingen bij uitgeputte campinggasten. Nee, gewoon een kleine, rustige camping aan een smal riviertje. Eenvoudige voorzieningen. Geen overbodige luxe. Precies goed. De camping ligt verscholen tussen het groen en ademt die typisch Duitse degelijkheid uit waarbij niemand probeert hip te zijn. Geen “glamping lodge experience”, maar gewoon een nette camping waar de douches het doen en waar mensen nog vriendelijk “Guten Abend” zeggen zonder eerst een marketingcursus klantbeleving gevolgd te hebben. Na het wegzetten van de caravan liepen we nog even langs het water. Het riviertje kabbelde rustig voorbij alsof het totaal geen haast had — iets waar wij langzaam ook steeds beter in beginnen te worden. En ergens is dat misschien wel precies waarom we op deze manier reizen. Niet om zo snel mogelijk in Zweden te komen. Maar om onderweg alvast vakantie te worden.
Reactie plaatsen
Reacties
Wat schrijf je weer mooi. Heerlijk om dit te lezen!
Gelukkig dat het daar nog mogelijk is dat de winkels op zondag gesloten zijn zodat ze normaler kunnen leven. Altijd dat jachtige en dat alles maar normaal moet zijn zoals vele Nederlanders denken kan ook anders. Geniet van jullie rust!
Mooi verhaal weer.
Wat kun je het toch heerlijk verwoorden Marjolein !
Ik lees het alsof ik deel uitmaak van jullie reis ☺️