Vandaag stond een bezoek aan het beroemde mijngebied van Falun op het programma. En eerlijk gezegd: voordat je hier geweest bent, besef je eigenlijk niet hoe belangrijk deze plek ooit voor Zweden – en zelfs voor Europa – is geweest. Je denkt vooraf misschien: “Leuk, een oude mijn.” Maar Falun blijkt veel meer te zijn dan een gat in de grond met een souvenirwinkel erbij.
Al vanaf de middeleeuwen werd hier koper gewonnen. Eeuwenlang was de mijn van Falun één van de belangrijkste kopergebieden ter wereld. In de zeventiende eeuw kwam naar schatting bijna twee derde van al het Europese koper hiervandaan. Zweden werd er rijk van. Héél rijk. Zonder Falun had Zweden waarschijnlijk nooit zo’n grote Europese macht kunnen worden.
En als je het enorme mijngebied ziet, geloof je dat direct. Midden in het landschap gaapt ineens een gigantische krater: de Stora Stöten. Alsof een stuk aarde gewoon heeft besloten ermee op te houden. Het verhaal daarachter is ook al niet bepaald geruststellend. In 1687 stortte een groot deel van de mijn in. Wonder boven wonder viel daarbij niemand om het leven, omdat het instorten toevallig plaatsvond tijdens een feestdag waarop de mijnwerkers niet aan het werk waren. Zweden noemt het nog steeds één van de grootste industriële rampen uit zijn geschiedenis, al liep het dus relatief goed af.
Tegenwoordig is het hele gebied UNESCO-werelderfgoed en volledig ingericht voor bezoekers. Overal liggen oude gebouwen, houten constructies, rails, liften, machines en historische werkplaatsen. Het voelt een beetje alsof je door een openluchtmuseum loopt, maar dan op industriële schaal.
En wat vooral opvalt: alles is hier rood. Dat beroemde Zweedse donkerrode houtverfje – Falu Rödfärg – komt namelijk oorspronkelijk hiervandaan. Een restproduct uit de mijnbouw bleek perfect bruikbaar als houtverf. Daardoor kregen miljoenen Zweedse huizen uiteindelijk die iconische rode kleur. Met andere woorden: half Zweden ziet eruit zoals het eruitziet dankzij deze mijn. Ik had werkelijk geen idee dat een complete nationale kleur feitelijk ontstaan is uit eeuwenoude industriële vervuiling.
Voor toeristen is hier tegenwoordig ontzettend veel te doen. Je kunt het museum bezoeken, rondlopen over het terrein, oude gebouwen bekijken en – voor wie daar zin in heeft – ook daadwerkelijk de mijn in. Met helm, gids en warme kleding daal je af in de donkere gangenstelsels waar eeuwenlang duizenden mijnwerkers hebben gewerkt. Wij hebben dat laatste overigens vriendelijk aan ons voorbij laten gaan. Niet vanwege angst natuurlijk. Absoluut niet. Maar vooral omdat ik mezelf inmiddels goed genoeg ken om te weten dat ik onder de grond, in smalle donkere gangen, honderden meters diep, waarschijnlijk binnen drie minuten volledig irrationeel overtuigd zou raken dat precies op dat moment opnieuw een historische instorting zou plaatsvinden. Dus hielden wij het bovengronds.
En dat was eigenlijk meer dan indrukwekkend genoeg. Wat je hier namelijk heel sterk voelt, is hoe ongelooflijk zwaar het leven van die mijnwerkers geweest moet zijn. Donkerte, stof, hitte, instortingsgevaar, giftige dampen, eindeloze werkdagen. Hele generaties leefden hier letterlijk van de mijn – en vaak ook voor de mijn.
Tegelijkertijd is Falun anno 2026 juist opvallend rustig en vriendelijk. Geen grauwe industriestad meer, maar een nette Zweedse provinciestad met veel groen, sportvoorzieningen en toerisme. De mijn is allang niet meer economisch belangrijk zoals vroeger; de actieve winning stopte al in 1992. Tegenwoordig draait alles vooral om erfgoed, cultuur, onderwijs en toerisme. En Zweden zou Zweden niet zijn als zelfs een voormalige industriële rampomgeving uiteindelijk veranderd wordt in een perfect georganiseerd bezoekerscentrum met keurige wandelpaden, nette informatieborden en een café waar je ontspannen koffie kunt drinken terwijl je uitkijkt over een gigantische historische krater. Dat blijft toch een bijzondere combinatie.
Reactie plaatsen
Reacties
Indrukwrkkend.
Leuk zn mijnwerkers stadje.
En die standbeelden.