Vandaag begon als een heel gewone verhuisdag. De was was schoon, de caravan was aangekoppeld, de honden hadden hun vaste plek ingenomen en wij namen afscheid van Sorsele. Dat afscheid viel overigens een stuk gemakkelijker nu al onze kleding weer fris rook. Na een paar weken reizen wordt schone was namelijk een bron van geluk die moeilijk uit te leggen is aan mensen die thuis gewoon op een knop van hun wasmachine kunnen drukken.
Ons plan was eenvoudig: naar Vilhelmina rijden. Dat is geen wereldreis. Sterker nog, toen we eenmaal onderweg waren, leek het erop dat we nog voor de lunch op onze volgende camping zouden staan. Maar eerst genoten we van de rit.
En ja, daar gaan we weer. Bossen. Meren. Rivieren. Rode huisjes. Ik hoor sommige lezers bijna zuchten. "Daar heb je haar weer met die bossen." Maar wat moet ik anders schrijven? Dat Zweden vandaag plotseling was veranderd in een drukke industriestad met hoogbouw en verkeersopstoppingen? Dat zou pas nieuws zijn geweest.
De route tussen Sorsele en Vilhelmina is opnieuw zo'n typisch Zweedse route waarbij je voortdurend denkt dat iemand hier stiekem een gigantisch natuurreservaat heeft aangelegd. Donkergroene dennenbossen wisselen zich af met glinsterende meren. Rivieren slingeren door het landschap. Hier en daar staat een rood huisje aan het water alsof het speciaal voor een ansichtkaart is neergezet. En hoe vaak we dit landschap inmiddels ook hebben gezien, het blijft indrukwekkend.
Het was bovendien een uitzonderlijk ontspannen reisdag. Geen rendieren die besloten midden op de weg een vergadering te houden. Geen wegwerkzaamheden waarbij de wegbeheerder eerst het asfalt verwijdert en daarna pas bedenkt wanneer hij verdergaat. Geen stortbuien. Geen files.
Om elf uur reden we Vilhelmina binnen. En toen ontstond er een probleem. Niet omdat er iets mis was. Juist omdat alles goed ging. Elf uur vonden wij namelijk wel erg vroeg om al op een camping neer te strijken. Dan zit je om half twaalf in je campingstoel en moet je nog een complete dag zien door te komen. Dat is zelfs voor ons een beetje overdreven. Dus keken we elkaar aan. "Zullen we ...?" "We zouden ..." "Misschien toch ..." En voor we het wisten was de beslissing genomen. We gingen de Wildernisroute rijden. Dat klinkt alsof we spontaan een impulsieve beslissing namen, maar in werkelijkheid hebben we daar weken over getwijfeld.
De Wildernisroute – in het Zweeds Vildmarksvägen – is een van de bekendste toeristische routes van Zweden. De route vormt een grote lus van ongeveer vijfhonderd kilometer door de berg- en wildernisgebieden van Zuid-Lapland en Noord-Jämtland. Het bekendste deel is de weg over Stekenjokk, een hoogvlakte die maandenlang onder een dik pak sneeuw ligt.
Omdat de sneeuw daar soms metershoog ligt, blijft de weg ieder jaar gesloten tot begin juni. Traditioneel gaat hij rond 6 juni weer open. Dat maakt de Wildernisroute een beetje de seizoensopening van de Zweedse bergwereld. Zodra de slagbomen verdwijnen, trekken campers, motorrijders, fotografen en natuurliefhebbers massaal de bergen in.
Toen wij enkele weken geleden noordwaarts reden, was het weer ronduit beroerd. Regen, regen en voor de afwisseling nog wat regen. Daarom besloten we toen de route over te slaan en langs de kust van de Botnische Golf te rijden. Maar nu reden we weer zuidwaarts. Het weer was niet perfect, maar wel goed genoeg. En dus waagden we de gok. Geen moment hebben we daar spijt van gehad. Maar ja, we zijn ook nog maar net begonnen …
Vrijwel onmiddellijk veranderde het landschap. De meren werden groter en langer. Aan de horizon verschenen bergen. En niet zomaar bergen: op verschillende toppen lag nog sneeuw. In de verte zagen we de Noorse bergketens opdoemen. Het voelde alsof we langzaam een andere wereld binnenreden. Alleen één ding bleek soms lastig. De parkeerplaatsen. Met een gewone auto kun je overal stoppen. Met een caravan van zeseneenhalve meter erachter blijkt ieder parkeerhaventje ineens verdacht klein. Regelmatig zagen we een fantastisch uitzichtpunt en dachten we tegelijkertijd: daar krijgen we die caravan nooit meer netjes uit. Dus bewonderden we sommige uitzichten noodgedwongen al rijdend.
Rond half één arriveerden we op de camping in Saxnäs. De Saxnäs Fjällcamping ligt prachtig aan het water, met uitzicht op de bergen. In de winter is dit een populaire bestemming voor wintersporters, sneeuwscooters en langlaufers. Nu heerste er vooral rust. Veel rust. Het soort rust waarbij je spontaan zachter gaat praten zonder precies te weten waarom.
Onderweg waren we langs de Trappstegsforsen gereden, een waterval op ongeveer zes kilometer van de camping. Omdat het droog bleef besloten we daar 's middags nog eens terug te gaan. En dat bleek een uitstekend idee. De Trappstegsforsen is geen waterval die in één grote sprong naar beneden stort. Het water stroomt over een reeks natuurlijke rotsplateaus, alsof iemand een gigantische stenen trap heeft aangelegd. Vandaar ook de naam: de Trappenwaterval. Het resultaat is bijzonder mooi. Over tientallen meters stroomt het water van niveau naar niveau naar beneden, terwijl het schuimend zijn weg zoekt door de rivierbedding. Omdat het vrijwel windstil was en het droog bleef, kon ik ook nog met de drone vliegen. Dat blijft toch een heerlijk gevoel. Terwijl gewone toeristen foto's maken vanaf de parkeerplaats, stuur ik een vliegend apparaat de lucht in en doe alsof ik een natuurdocumentaire voor National Geographic aan het opnemen ben. De beelden waren in ieder geval prachtig.
Daarna hebben we nog even getankt. Niet omdat het nodig was, maar omdat je op de Wildernisroute beter geen discussies voert met een brandstofmeter. Tankstations zijn hier niet bepaald om de hoek te vinden.
De rest van de middag deden we waar campings uiteindelijk voor bedoeld zijn. Niets. Nou ja, bijna niets. We genoten van het uitzicht, de rust, de bergen en het besef dat we eindelijk de route reden waar we al weken over twijfelden.
Reactie plaatsen
Reacties